De oorlog in het kort

 

Nederland in oorlog…

In de vroege ochtend van 10 mei 1940 werd men in Nederland wakker van het geluid van Duitse vliegtuigen. Eerst werd gedacht dat de Nederlandse neutraliteit werd geschonden door Duitse vliegtuigen die weg waren naar Engeland. De twee landen waren sinds de Duitse inval in Polen met elkaar in oorlog. De vliegtuigen keerden echter boven de Noordzee, om vervolgens parachutisten boven het westen van het land te droppen. Op hetzelfde moment, het was toen vijf voor vier in de ochtend, passeerden Duitse troepen de Nederlandse grens.

Het Nederlandse leger, onder bevel van Generaal Winkelman, vocht terug. Het slecht bewapende Nederlandse leger was echter niet opgewassen tegen het moderne Duitse oorlogsapparaat van Hitler. Wel wist het Nederlandse leger de Duitse opmars met de waterlinie van de ‘Vesting Holland’ te vertragen.

Op de zondagavond van 12 mei vluchtte kroonprinses Juliana met haar man Bernhard en hun twee kinderen naar Engeland. De volgende ochtend vertrok om tien uur vanuit Hoek van Holland de Britse torpedojager HMS Hereward met aan boord koningin Wilhelmina. De strijd tegen Duitsland zou vanuit Engeland worden voortgezet. Op 14 mei bombardeerden Duitse vliegtuigen de stad Rotterdam. Ruim achthonderd burgers kwamen om. Onder dreiging van bombardementen op andere grote steden, te beginnen met Utrecht, ondertekende generaal Winkelman in de nachtelijke uren van 15 mei in een schoolgebouw in het Zuid-Hollandse Rijsoord de capitulatie.

 

Eerste Duitsers in Ommen… 

joodsommen  Duitse soldaten in het gelid achter de bioscoopzaal De Zon

De Duitsers waren in het schemerdonker van 10 mei op verschillende plaatsen de grens met ons land overgestoken. Ook bij de nabij Hardenberg gelegen buurschap Venebrugge werd de grens overschreden. Enkele uren later waren de eerste Duitse troepen, een cavaleriedivisie, al in de buurt van Ommen. Bij de buurschap Hoogengraven stapten de Duitse soldaten van hun paarden. Niet omdat ze beschoten werden, maar om bij café Schottert wat te drinken. Ze betaalden netjes voor hun consumpties en reden daarna verder in de richting van Ommen. Gevochten werd er niet. De Nederlandse soldaten hadden zich al richting Zwolle teruggetrokken. Enkele bruggen hadden zij op hun terugtocht opgeblazen.

De Duitse soldaten werden niet gehinderd door de aspergeversperring aan de Hardenbergerweg. Een soldaat sprong met zijn paard over de uit de grond stekende balken die waren bedoeld om pantservoertuigen tegen te houden. De andere soldaten gingen door het afwateringskanaal en enkele reden om en kwamen via de brug bij de Rotbrink het kanaal over en zo was Ommen al vanaf 10 mei 1940 door de Duitsers bezet. 

 

Jodenvervolging…

In de eerste maanden na de capitulatie veranderde er weinig. In Ommen waren wel Duitse soldaten, maar het gewone leven ging verder. Er volgden wel wat maatregelen, maar deze golden voor de gehele bevolking. In de zomer volgde de eerste anti-Joodse wetgeving. Vanaf 1 juli mochten Joodse burgers niet meer deelnemen aan de Luchtbescherming. Eind september kreeg de burgemeester bericht over wie hij in het vervolg moest aanmerken als Joodse burger. Iemand met drie of vier Joodse grootouders werd beschouwd als ‘volljude’. Begin oktober moesten ambtenaren de ‘ariërverklaring’ onderteken en daarmee verklaarden zij dat ze niet van Joodse afkomst waren. Enkele weken later werden alle Joodse ambtenaren ontslagen. Het waren maatregelen die geen invloed hadden op de Joodse inwoners van Ommen.

Dit veranderde toen de Duitsers in januari 1941 een register wilden aanleggen van alle Nederlandse Joden. Alle inwoners met een of meerdere Joodse grootouders werden verplicht om zich op het gemeentehuis te registreren. De legekosten van een gulden voor de registratie moesten zelf worden betaald. In Ommen lieten drieëntachtig personen zich registreren. De meeste van hen woonden op het Quakerinternaat Eerde. Onder de geregistreerden bevond zich ook de op het landgoed wonende kunstenaar Titus Leeser. Hij zou later het monument voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij het gemeentehuis vervaardigen. Zijn grootmoeder van vaders zijde was van Joodse afkomst.

joodsommen  Bekendmaking verordening 6-1941 persoonregistratie (gedeeltelijk) Joodse bloede

Voor Joden verboden…

In februari 1941 werden er voor het eerst op grootscheepse wijze Joods mannen opgepakt. Als reactie op deze razzia werd enkele dagen later op verschillende plaatsen in het land het werk stilgelegd. De staking, die later bekend zou worden als de ‘Februaristaking’, werd hard neergeslagen.

In maart werden Joodse ondernemers verplicht hun bedrijf te sluiten of over te dragen aan een verwalter, een Duitse zaakwaarnemer. In april verschenen de eerste bordjes met de tekst ‘Voor Joden verboden’ in het Nederlandse straatbeeld. Joodse mensen waren niet meer welkom in hotels, restaurant en cafés. In de maanden daarna namen de anti-Joodse maatregelen sterk toe. Joodse musici mochten geen deel meer uitmaken van orkesten. Ook kon men op steeds meer plaatsen ‘Voor Joden verboden’ lezen. De bordjes werden opgehangen bij zwembaden en plantsoenen. Ook werden Joodse medeburgers gedwongen hun radio’s in te leveren en werden op die manier afgesloten van nieuwsberichten, informatie en muziek. Kapotte radio moesten op eigen kosten worden gerepareerd voordat ze ingeleverd werden. Rabbi Cohen wachtte het moment om de radio’s in te leveren niet af. In februari 1941 plaatste hij een advertentie in de plaatselijke krant waarin hij zijn radio te koop aanbood. Het lukt de rabbi om zijn toestel te verkopen. Karel de Haas en Hartog de Levie bezaten beiden ook een radio gaven gehoor aan de oproep en leverden deze in op het gemeentehuis van Ommen.

Eind juli 1941 stond in verschillende kranten te lezen dat ook Ommen was aangewezen als gemeente waar de bewegingsvrijheid van Joden beperkt werd. Na de zomervakantie waren Joodse leerlingen niet meer welkom op de Openbare Lagere School aan de Vrijthof. Het Ministerie van Onderwijs stelde een bedrag van veertig gulden per Joodse leerling beschikbaar. Hiervoor konden speciale Joodse scholen worden ingericht. In Ommen was een nieuwe school niet noodzakelijk. De joodse kinderen uit Ommen kregen vanaf dat moment les op de in een villa op landgoed Eerde. In deze villa waren al de Joodse kinderen van het Quakerinternaat gescheiden van hun leeftijdsgenoten. De school was ook bedoeld voor de Joodse kinderen uit Den Ham.

 

Naar ‘t werkkamp gaan was niet ongewoon

joodsommen  Werkverruiming voor Joden - Het Joodsche Weekblad 09-01-1942 Op 24 oktober 1929 kelderden aandelenkoersen op beurs van New York. Er ontstond paniek bij de beleggers en in rap tempo probeerden zij hun aandelen te verkopen. Deze dag zou de geschiedenis ingaan als ‘Black Thursday’ en zou die week daarop gevolgd worden door ‘Black Tuesday’. De beurskrach van 1929 zorgde voor een mondiale crisis. Het directe gevolg in Nederland was dat bedrijven reageerden met massaontslag als middel om te overleven in economisch slechte tijden. In 1930 had Nederland ongeveer honderdduizend werklozen en in de jaren daarna vervijfvoudigde dit aantal. Volgens artikel negentien van de grondwet moest de overheid zorgen voor voldoende werkgelegenheid. Daarom werd besloten tot het opstarten van verschillende werkverschaffings-projecten. Voor de oorlog kwamen er op diverse plaatsen, vooral het noordoosten van ons land, diverse werkgelegenheidsprojecten en in de omgeving daarvan werden speciale kampen ingericht om de mannen zonder werk die veelal uit het westen van het land kwamen in onder te brengen. De kampen werden ook wel rijkswerkkampen genoemd.

Ook rondom Ommen moest er land worden ontgonnen. De gemeente Ommen maakte dankbaar gebruik van de door de overheid gesubsidieerde projecten. Aan de Balkerweg stond tussen 1938 en 1942 het rijkswerkkamp Alteveer. Werklozen uit Utrecht en Zwijndrecht plantte hier nieuwe bossen aan en moesten wegen aanleggen in Varsen. Later werden deze barakken verplaatst naar een nieuw te bouwen kamp.

Dit kamp werd in de nabijheid van de Regge ingericht en werd bekend onder de naam ‘Laarbrug’. Voor het uitbreken van de oorlog was op het landgoed Junne ook een werkverschaffingsproject opgestart. De mannen die hier werkzaam waren, waren veelal afkomstig uit het Zuid-Hollandse Leerdam. In december 1940 gingen de eerste werklozen uit Amsterdam aan de slag in het werkkamp Arriën in de gelijknamige buurschap en op het landgoed van baron Van Pallandt lag het werkkamp Eerde Het kamp werd al in 1935 gesticht door de enkele jaren daarvoor opgerichte Raad van Nederlandse Kerken voor Practisch Christendom. Onder de titel ‘Jong Holland snakt naar werk’ werden werkloze en kansarme jongeren opgevangen en tewerkgesteld.

In de periode rond het uitbreken van de oorlog keek dus niemand vreemd op van het begrip ‘werkkamp’. 

 

Herkenbaar op de straat…

In 1942 namen de anti-Joodse maatregelen concretere vormen aan. In januari moesten de Joodse medeburgers naar het gemeentehuis. Als gevolg van de registratie was nu bij de bezetter bekend wie Joodse was en wie niet. Om dit tijdens controles ook gemakkelijk te kunnen controleren kregen Joodse medeburgers op 23 januari de opdracht om zich te melden op het gemeentehuis. Daar kregen ze met zwarte inkt een grote letter J in hun persoonsbewijs gestempeld.

De stempel in het persoonsbewijs ging de bezetter echter nog niet ver genoeg. Een uiterlijk herkenningskenmerk was een volgende stap. Vanaf 3 mei 1942 moesten Joden op al hun bovenkleding een merkteken dragen. De davidster, volgens de overlevering zou het teken de tempel van Jeruzalem hebben gesierd, werd door de nazi’s misbruikt en verwerd tot een gele Jodenster.

De bezetter had een avondklok ingesteld. Tussen twaalf uur ’s nachts en vier uur in de morgen mocht niemand naar buiten. Alleen personen die vanwege hun beroep ook ’s nachts zich op straat moesten begeven ontvingen een sonderausweis. Vanaf 30 juni 1942 werd de maatregel voor Joodse burgers uitgebreid. Zij mochten tussen ’s avonds acht en ’s morgens zes uur niet meer naar buiten. 

Behalve het feit dat Joodse inwoners ’s avond niet meer op straat mochten komen werd ook overdag hun leefgebied verkleind. Ze mochten al niet meer vrij reizen, maar in juni 1942 moesten de Joodse inwoners ook hun fietsen inleveren. De Joodse inwoners, ook de leerlingen van de Quakersschool in Eerde, gaven hieraan gehoor en de fietsen werden ingeleverd. Hertog de Lange en Joop van der Hoek brachten eerst hun eigen fietsen, maar kregen te horen dat ook de fietsen van de kinderen moesten worden ingeleverd. Deze werden later die dag alsnog gebracht. 

 

Naar Wite Peal…

Op last van het Reichskommissariat werd begin 1942 een aantal werkkampen ontruimd. Werklozen werden naar huis gestuurd en de ontruimde kampen moesten fungeren als werkkamp enkel voor Joodse mannen. Op 9 januari kregen de eerste Joden een oproep van de Joodsche Raad om zich te laten keuren. De volgende dag werden ze al naar werkkampen in Noord Nederland gestuurd. Uit alles leek het of het een voorzetting was van de normale Rijkswerkkampen voor ‘werkverruiming’.

Niets was minder waar. De afwezigheid van de Duitse soldaten was een weloverwogen onderdeel van een sluw plan. Na de eerste ontruiming volgden andere kampen snel. Na de ontruiming van enkele kampen volgden er snel meer. Ook het rijkswerkkamp Arriën werd ontruimd. De werklozen moesten plaatsmaken voor nieuwe ‘bewoners’.

 

In de zomer van 1942 werden er op verschillende adressen in Ommen dezelfde enveloppe bezorgd. De enveloppen waren geadresseerd aan alle Joodse mannen van achttien tot vijfenvijftig jaar. Het was een oproep om zich te melden in het werkkamp Wite Peal gelegen tussen Rohel, Rotserhaule en Sint Johannesga in het zuiden van Friesland, nabij Heerenveen.

Rabbi Cohen, hij was op dat moment eenenvijftig, ontving geen oproep, omdat voor geestelijken een uitzondering werd gemaakt. Om erger te voorkomen gaven de meeste mannen gehoor aan de oproep. Enkel de jongens van slager De Haas doken onder.

3 oktober 1942

Het Loofhuttenfeest van 1942 was anders dan in voorgaande jaren. Vijf van de mannen uit de Joodse gemeenschap verbleven in een Joodse werkkamp. Ook de jongens van slager De Haas waren niet meer thuis, ze waren ‘verdwenen’. Op vrijdag 2 oktober Gompel en Eva de Levie waren thuis. Vanwege het Loofhuttenfeest was dochter Betje, hoewel zij als Joodse van de bezetter niet vrij mocht reizen, bij haar ouders. Toen kwam na achten een telegram: ‘Zorg dat de rugzakken en koffers gepakt zijn’.

In tegenstelling tot de Joodse Raad in Amsterdam die zich opstelde als een pion voor de bezetter en zo een belangrijk onderdeel werd van de Jodenvervolging, nam de Joodse Raad in Enschede een houding aan die hier compleet haaks op stond. Voorzitter Sig Menko, secretaris Isedoor van Dam en penningmeester Gerard Sanders  geholpen door dominee Leendert Overduin, wisten geld in te zamelen en velen aan een onderduikadres te helpen. Toen in de nacht van 2 op 3 oktober 1942 de Duitsers de Joodse werkkampen ontruimden en het plan hadden om de volgende dag duizenden familieleden op te halen uit hun huizen, stuurde de Joodse Raad die avond een telegram naar alle afdelingen van de raad. De tekst van het telegram was kort en verhullend en werd daarom niet door iedereen als waarschuwing gezien. Ook niet door Gompel de Levie, voorzitter van de Joodse gemeenschap in Ommen. Hij dacht dat het telegram een formele aankondiging was. Gompel de Levie pakte het telegram en ondanks dat het al na achten was, stapte hij de deur uit en negeerde de voor hem geldende avondklok. Via de achtertuin ging hij naar zijn buren, de familie Stappenbelt. De familie was niet verbaasd toen Gompel de Levie het huis binnenstapte. Hij kwam geregeld en vertelde dan vaak over het nieuws uit Engeland dat hij had gehoord. Maar deze keer was anders. Gompel was gespannen en gehaast. Een bepaalde nervositeit had zich van hem meester gemaakt. Hij vertelde over het telegram en deze liet hij lezen aan Willem, de negentienjarige buurjongen. Hij vroeg of Willem, de avondklok was voor niet-Joden immers nog niet ingegaan, langs de andere Joodse inwoners van Ommen wilde gaan om hen op de hoogte te brengen van het telegram. Willem nam het telegram mee, ging direct weg en verdween in het donker van de avond. Gompel liep zoals hij was gekomen door de achtertuin terug naar huis.

 

Toen Gompel de achterdeur binnenstapte, kwam op datzelfde moment buurvrouw Stevens op bezoek. Ze wist niet wat er was gebeurd, maar kon de zorg van de gezichten aflezen. “Weet je niet dat ze met ons, Joden, bezig zijn? Zou je niet even willen kijken in het huis van mijn zoon Jacob aan het Kerkplein?” zei Gompel tegen haar. Buurvrouw Stevens was zich van de ernst bewust. Ze knikte en ging naar buiten.

De buurvrouw liep door de Brugstraat en stak daarna het Kerkplein over. Bij het huis van Jacob de Levie aangekomen hoorde ze binnen luid praten. Buurvrouw Stevens bleef even staan, maar ging niet naar binnen. Daarna draaide ze zich om en ging terug naar het huis van Gompel de Levie en vertelde daar wat ze had gehoord. “Je moet hier weg”, zei meneer De Levie. Gompel ging met  zijn buurvrouw naar de achterdeur. Via het steegje De Poffert liep hij met buurvrouw Stevens naar het postkantoor. Daar namen ze afscheid. Gompel ging terug naar huis waar zijn vrouw en dochter angstig afwachten op wat komen gaat.

Op het moment dat buurvrouw Stevens voor het huis van de familie De Levie stond was Willem Stappenbelt binnen in gesprek met Eva de Levie en Jopie Bierman, die sinds de zomer bij Eva en de kinderen inwoonde, omdat hun beider mannen in een Joods werkkamp in Friesland zaten. Willem had de vrouwen verteld over het bezoek van buurman Gompel, de schoonvader van Eva en liet hen het telegram lezen.

 

Diezelfde avond kreeg het vervoersbedrijf Stegeman, gevestigd aan de Gasthuisstraat, van de politie de opdracht om een vrachtwagen auto met chauffeur te sturen. Chauffeur Bouwhuis reed direct naar het gemeentehuis, maar kon na korte tijd terug keren.

Nadat Willem Stappenbelt alle Joodse inwoners van Ommen had gewaarschuwd bracht hij het telegram terug naar Gompel de Levie. Deze wist niet dat het telegram een geheime waarschuwing was van de Joodse Raad van Enschede. Nadat hij het telegram weer in handen had bedankte hij de buurjongen en stuurde hem naar huis. Het telegram legde hij op de tafel in de kamer. Later zouden de Duitsers het vinden en woedend zijn. Sig Menko, de voorzitter van de Joodse Raad zou zich later moeten verantwoorden.

Het bericht bracht grote onrust onder de Joodse inwoners. Sommigen doken voor korte tijd onder, anderen wachtten in onzekerheid af op wat ging komen. Angst en wanhoop hadden zich meester gemaakt van de Joodse gezinnen.

 

De volgende dag stuurde chauffeur Bouwhuis opnieuw de vrachtauto door de straten van Ommen. Eerst haalde hij de Joodse gezinnen aan het Bouweinde op en daarna stopte de vrachtauto op het Kerkplein en stapten Eva de Levie en haar dochtertjes Evalien en Johanna in. Vervolgens reed de wagen naar huis van de voorzitter van de Ommer Joodse gemeenschap in de Brugstraat. De oude Salomon van der Hoek merkte dat hij zijn gebedenboek was vergeten en vroeg of hij deze nog mocht halen. Een Duitser gaf hem toestemming en terwijl Salomon naar huis ging om zijn gebedenboek te halen, stapten Gompel de Levie, zijn vrouw Eva en dochter Betje in.

Voor de oude mevrouw De Levie werd een stoel in de vrachtwagen gezet. Toen Salomon van der Hoek met zijn gebedenboek terug was, stapte ook hij in de vrachtwagen. Daarna startte de chauffeur de motor en zette de vrachtauto zich langzaam in beweging. De vrachtauto reed de Brugstraat uit, de Markt op. Gompel de Levie stapte naar voren. Hij nam zijn hoed af voor een laatste groet en nam daarmee afscheid van Ommen, zijn Ommen. 

 

9 april 1943…

Nadat meer dan de helft van de Joodse inwoners van Ommen waren weggevoerd, zat de angst onder de achterblijvers er goed in. De familie De Haas en de familie Van Gelder besloot om nieuwe maatregelen van de bezetter niet af te wachten en duiken onder. De familie Vomberg en Cohen en de jongeren op de Quakerschool zijn daarna de laatste Joodse burgers van Ommen.

Daarna volgde het bericht dat op 10 april 1943 alle grensprovincies van Nederland ‘judenfrei’ moesten zijn. De laatste Joodse inwoners van Ommen moesten zich voor die datum melden in kamp Vught. Op 9 april sloten ze voor de laatste keer de deur van hun huis achter zich. Op het gemeentehuis deden ze melding van hun vertrek en leverden de sleutel van hun huis in. De hoop dat ze terug zouden keren was verdwenen. Het afscheid van Ommen is voorgoed.

 

Enkel de leden van het gezin De Haas wisten te ontkomen aan de verschrikkingen van de vernietigingskampen. Meneer De Haas overleed tijdens zijn onderduik. Mevrouw De Haas keerde na de oorlog terug en overleed een jaar daarna. De zonen Leo en Karel gingen elders in Nederland wonen en zoon Alex en dochter Martha emigreerden naar Israël, maar wat bleef was de verbondenheid met Ommen.